Jaren terug, toen hij te gast was bij Zomergasten, koos Joop van Lieshout een fragment uit van een kunstproject van de tweelingzussen L.A. Raeven. Ik denk dat het om ‘Love Knows Many Faces’[1] ging. Je ziet de beide zussen die aan het zwemmen zijn, en proberen elkaar onder water te duwen en te laten verdrinken. Ik vond het een verschrikkelijk project, en ik begreep niet waarom je zó ver zou willen gaan met je kunst. Wat had dit voor zin? Waar was dit goed voor?
En iemand wees me er toen op, dat dit de taak is van de kunstenaar. Grenzen opzoeken en eroverheen gaan. En nu ik de toelichting bij het project lees, en begrijp dat het gaat om hoe dicht haat en liefde bij elkaar liggen, begrijp ik ook beter waarom je zo’n werk zou willen maken. Kunst gaat niet alleen over grenzen opzoeken, maar ook — en misschien wel vooral — over het verbeelden en bespreekbaar maken van het onzegbare.
Is dat dan nodig? Ik denk het wel. Eén van de dingen die ik geleerd heb van de haptonomie, is hoeveel je lichaam opslaat van de dingen die ermee gebeuren. De stress, de angst, de onrust, naast het plezier, het genot en de ontspanning. Dat heeft lang geduurd, en ik mis nog steeds veel, maar het helpt me wel om beter voor mezelf te zorgen. Pas als je een beestje bij de naam hebt leren noemen, herken je het. Dan is het geen ‘vogel’, maar een boomkruiper, een bosuil of een zilverreiger.
Het is dus nuttig en nodig om grenzen op te zoeken en jezelf bloot te stellen aan verontrustende ervaringen. Een museum waar je doorheen loopt en denkt ‘goh mooi, ook mooi, niet zo mooi, ook mooi’, dat kan een heel plezierige ervaring zijn, maar verrijkend of leerzaam is het niet.
Vorig weekend liep ik door het Museum Henriëtte Polak, in Zutphen, en daar stak ik wel wat van op. Op de website van dat museum[2] lees ik het volgende:
‘Mecenas en naamgeefster Henriette Polak-Schwarz raakte in 1964 bevriend met kunstenaar Joop Sjollema, die haar overtuigde van de noodzaak om een museum op te richten voor Nederlandse figuratieve kunst geworteld in de academische traditie. Een initiatief tegen de tijdsgeest in, want vooral abstracte en conceptuele kunst stond doen in de (museale) belangstelling.’
Een vergelijkbaar verhaal was ook in de tentoonstelling zelf te horen: dat deze groep mensen zich verzette tegen het werk van COBRA, met bekende namen als Karel Appel en Corneille. Dat was de vernieuwende stroming, iedereen had het hierover, en al het andere moest verdwijnen. Joop Sjollema was één van de mensen die het nodig vond om de gevestigde orde te bewaren. Kunst moest juist herkenbare dingen verbeelden, en niet abstract en onherkenbaar zijn.
Het streek me heel erg tegen de haren in. Niet dat ik wat tegen herkenbare of figuratieve kunst heb, maar dat je dáár je energie in zou steken, dat vond ik verspilde moeite, en het leek me erg beperkend voor de creativiteit. Laat mensen toch hun gang gaan, en doe zelf je eigen ding, dacht ik, daar komen veel meer waardevolle kunstwerken uit voort. Hoeveel creatiefs kan er nou voortkomen uit verzet? Het duurde even voor ik de tentoonstelling weer met onbevangenheid kon bekijken.
En toen dacht ik: dit zouden we ook moeten doen in de politiek. Het is heel begrijpelijk als je moeite hebt met de vernieuwende stroming die Wilders en consorten heeft voortgebracht, en die ook vindt dat al het oude moet verdwijnen. Maar de creativiteit zit niet in het bestrijden van die nieuwe stroming. De echte creativiteit zit in het zelf maken van eigen kunstwerken, in het formuleren van een nieuw ideaal. Daaruit worden nieuwe stromingen geboren, en dat heeft veel meer kracht dan alleen het bestrijden van de concurrentie.
[1] Zie https://www.l-a-raeven.com/art/installations/love-knows-many-faces.
[2] https://www.collectiegelderland.nl/organisaties/museumhenriettepolak?page=2
Geef een reactie